Ze lag naast me op een klein zaaltje in het UMC Utrecht.

Aan haar gehele uitstraling was te merken dat ze vroeger een deftige dame was geweest. ‘Meer dan rechtuit’ zoals mijn vrouw dat noemt.

Ze bleek nog hoogbejaarder te zijn dan ik dacht. Maar liefst 92.

Maar er was iets bijzonders aan haar: ze hield constant een pop vast.

Soms kroop ze naar het voeteneind van haar bed. Daarvandaan kon ze de gang zien, waar ze roerloos soms een uur naar staarde.

‘Ga toch lekker liggen, mevrouw van Ossewaerde’ zei de verpleegster dan.

‘Nee, nu kan ik mijn dochters zien aankomen.’  Die kwamen trouwens zelden.

Op een dag ging de hoofdverpleegster naast haar bed zitten. De prelude voor een serieus gesprek.

‘U mag hier binnenkort weg mevrouw Ossewaerde. We zijn op zoek naar een mooi rustig tehuis waar u kunt revalideren en weer voor uzelf kunt zorgen. Uw dochters zijn het er mee eens.’

Mevrouw van Ossewaerde snapte het niet, het was ook een beetje misleidend. 

In het UMC wisten ze namelijk best dat mevrouw van Ossewaerde nooit meer voor zichzelf zou kunnen zorgen. Ze moest naar een verpleeghuis.

De oude dame wilde daar echter zelf niet aan. Ze werd panisch en boos als het woord ‘verpleeghuis’ viel. Haar pop tegen haar aangeklemd, zei ze dat ze prima voor zichzelf kon zorgen.

Een paar dagen later kwam haar dochter op bezoek om te vertellen waar mam naar toe ging. Dochter wist alleen een naam, iets met ‘Bos’ in het Gooi. Moeder begon tegen te sputteren.

Onbedoeld volgde ik het gesprek. Misschien kon ik wat angst wegnemen. Snel zocht ik op mijn iPhone naar verpleeghuizen in het Gooi. Hebbes!

Ik selecteerde de photo gallery en gaf m’n iPhone aan de dochter.

‘Kijk eens mam’ zei ze opgelucht, ‘wat mooi he? Morgen breng ik u er naar toe.’

Mokkend vertelde mevrouw van Ossewaerde het nieuws aan haar pop.

‘mevr. Van Ossewaerde’ is een fictieve naam.